Heel wat mans

Heel wat mans

“Mag ik uw mannelijke collega even spreken? Ik overleg graag met iemand die wat meer mans is.” De ogen van de klant schieten gefrustreerd van de dame achter de balie naar de deur met het bordje ‘Privé’, enkele meters verderop. “Ik snap dat u uw best doet, maar ik heb geen twintig minuten in de auto gezeten om me te laten afschepen door een jong grietje.” Zijn borstelige wenkbrauwen maken een frons aan het einde van elke zin. Het norse gezicht van de man moet jarenlang weer en wind hebben doorstaan. Hoewel zijn stem vast klinkt, vertellen de chronisch vermoeide blik in zijn ogen en zijn eeltige vingers een ander verhaal. Na veertig jaar werken voor de baas kan hij nu genieten van zijn pensioen. Een kippenhok bouwen, de voortuin grondig aanpakken. Maar het leven heeft hem cynisch gemaakt. Gehard. Al die vrije tijd hijgt hem in de nek, in plaats van dat het een gevoel van vrijheid geeft. Op de dag dat zijn pensioen inging, bekeek de maatschappij hem door een andere bril. Oud, zwak, afgedaan. En dan die jeugd van tegenwoordig: achteloos en te beroerd om een stap harder te lopen. De boodschap van de dame tegenover hem, die meldt dat hij de verkeerde boor heeft uitgezocht voor zijn schroeven, schiet hem daarom direct in het verkeerde keelgat. “En snel graag, ik ben al laat.”

Hou je gezicht in de plooi. Adem in. Tover een glimlach tevoorschijn, al is het uit je kleine teen. ZEGT HIJ DIT ECHT?! “Ik ga even voor u navragen of mijn collega beschikbaar is.” Het lef. Hoe durft ‘ie. Wat meer mans! Witheet stapt ze de kantine in. De ruimte is veel te klein voor de vijf medewerkers die er elke dag hun pauzes doorbrengen, maar nu treft ze slechts één man. Met drie driftige stappen is ze bij hem, terwijl haar bruine paardenstaart naar alle kanten zwaait. “We hebben er weer één, hoor. Zo’n oude zeurpiet die meent dat ik niet kan zien welke boor geschikt is. En dus wil ‘ie jou zien… want jij bent vast wat meer mans. Nou, succes. Ik ben weg.” Ze ziet hoe haar collega langzaam opstaat, nog gekweld door de hernia die hem ruim twee maanden geleden parten speelde. Met een knipoog verdwijnt hij door de deur, om een antwoord te geven dat allang gegeven is. Ze loopt naar het koffiezetapparaat en schenkt een flinke mok vol. Eerst leegdrinken, dan weer verder. Zoals elke keer.

Ze schrikt op als ze beseft dat haar naam al twee keer geroepen is. Hoeveel tijd is er verstreken sinds ze geïrriteerd neerplofte op de krakende klapstoel? Terwijl ze haar koffiemok op de tafel plaatst en opstaat, verschijnt haar collega in de deuropening. “We hebben een euh… probleempje. Kun je even helpen?” Eenmaal buiten blijft ze staan om het schouwspel in haar op te nemen. Links staat haar collega, met een kromme rug en een pijnlijke grimas. Rechts de oudere man, met een nieuwe boor in zijn hand – de juiste! – en een beschaamd gezicht dat haar niet aankijkt. Tussen hen in staat zijn auto, onmiskenbaar met een lekke band. De krik staat wat verloren naast het voertuig. “Ik zit met m’n rug en meneer…” De gepijnigde blik van haar collega wekt medelijden, maar de triomf in haar wint. “… zoekt iemand die wat meer mans is, of niet?”